Nieuwsbericht

Warmtewet aangepast

donderdag 3 mei 2018

door Huurwijzer 1 | Woonbond

De Warmtewet is in 2014 ingevoerd om bewoners van woningen met collectieve verwarming te beschermen tegen de hoge stookkosten. Maar de wet had nogal wat ongewenste effecten. Begin maart 2018 is de Warmtewet daarom aangepast. Wat kunnen huurders hiervan verwachten?

 

Waarom is er een Warmtewet?

Met “collectieve verwarming” worden verwarmingssystemen bedoeld die veel woningen tegelijkertijd verwarmen. Zoals blokverwarming waarbij een centrale ketel warmte levert aan een huizenblok, flat of appartementencomplex. Of stadsverwarming via een ondergronds netwerk van warmwaterleidingen/ bewoners die op zulke collectieve verwarming zijn aangesloten, kunnen niet zelf hun energieleverancier kiezen. Dat kan in hun nadeel zijn. Bijvoorbeeld als de energieleverancier te hoge kosten in rekening brengt of gebrekkig onderhoud pleegt aan de installaties. Deze bewoners zijn slechter af dan bewoners met een eigen verwarmingsketel in huis.

De Warmtewet wil deze ongelijkheid tussen bewoners repareren. De Autoriteit Consument en Markt moest jaarlijks een maximaal tarief voor warmte vaststellen. Daarmee zouden de kosten voor warmte vergelijkbaar worden met die van gasgestookte woningen. En de Warmtewet maakte het verplicht om (waar mogelijk) individuele warmtemeters in woningen te plaatsen. De warmtekosten voor het hele gebouw kunnen dan eerlijk verdeeld worden op basis van het verbruik van elke bewoner. Ook regelde de Warmtewet dat een energieleverancier bewoners moet compenseren als er storingen zijn.

 

Waarom is de wet gewijzigd?

Helaas leverde de wet in de praktijk veel knelpunten op. Bij blokverwarming leidde de wet zelfs tot hogere – in plaats van lagere – kosten voor huurders. Veel verhuurders gingen namelijk het maximale tarief hanteren. Terwijl zij daarvóór (op basis van het huurrecht) de werkelijk gemaakte kosten afrekenden, die vaak lager waren. Bovendien waren er onduidelijkheden over verdeling van de kosten tussen bewoners in de buitenste schil en in het midden van een woningcomplex (de “liggingscorrectie”). Een bewoner die pal onder het dak woont moet ’s winters immers harder stoken dan iemand die aan alle kanten iemand heeft wonen die ook de verwarming aan heeft staan.
Vanwege deze en andere knelpunten is de Warmtewet aangepast. De Tweede Kamer stemde in maart met de aangepaste wet in. Waarschijnlijk wordt die in 2019 van kracht.

 

Wat verandert er voor huurders?

Huurders die aangesloten zijn op blokverwarming en Verenigingen van Eigenaren vallen voortaan niet meer onder de “Warmtewet 2.0”. Voor huurders met blokverwarming geldt dan weer het huurrecht en dat betekent dat de energieleverancier (vaak de verhuurder) de werkelijke en redelijke kosten moet afrekenen.

De zogenaamde “meetverplichting” blijft wel bestaan. Elke woning in het gebouw moet een individuele warmtemeter krijgen. Alleen wanneer dat technisch niet mogelijk is, mogen energieleveranciers een collectieve warmtemeter (achter de centrale ketel) plaatsen. Maar ook dan moet het warmteverbruik in elke woning gemeten worden. Dat kan met metertjes op de radiatoren. De liggingscorrectie wordt weer toegestaan in appartementencomplexen. Huurders in de schil mogen gecompenseerd worden voor hun (hoge) stookkosten door de huurders in het midden van het complex. Huurders die te maken hebben met warmte-koude-opslag (wko), nog een variant van een collectief verwarmingssysteem, hebben met de nieuwe wet ook een maximaal tarief voor ‘koude’ en ook voor lauw water.